Expert
Met de stikstofbrief van 26 juni 2026 heeft het kabinet voor het eerst in jaren een duidelijke richting gekozen voor de toekomst van de Nederlandse landbouw. Dat is positief. Ondernemers, adviseurs, financiers en ketenpartijen hebben behoefte aan duidelijkheid. Zonder een oplossing voor het stikstofdossier blijft Nederland op slot zitten en blijft vergunningverlening voor landbouw, woningbouw en infrastructuur vastlopen.
Tegelijkertijd bepalen niet de ambities op papier het succes, maar de vraag of maatregelen in de praktijk uitvoerbaar, juridisch houdbaar en economisch verantwoord zijn.
Het kabinet kiest nadrukkelijk voor doelsturing. Dat is een belangrijke stap vooruit.
Boeren verschillen immers sterk in bedrijfsopzet, grondsoort, bedrijfsintensiteit, beweidingssysteem en ondernemersstrategie. Een ondernemer die via management, voermaatregelen en vakmanschap dezelfde milieuresultaten behaalt als een ondernemer die investeert in techniek, zou daarvoor ook dezelfde waardering moeten krijgen.
Beoordeel ondernemers op hun gerealiseerde prestaties en niet op voorgeschreven maatregelen. Doelsturing sluit bovendien veel beter aan bij het ondernemerschap dat de Nederlandse landbouw groot heeft gemaakt. Het stimuleert innovatie en geeft ruimte voor maatwerk.
Juist in een sector die voortdurend innoveert, moet de overheid oppassen dat nieuwe regelgeving niet direct weer leidt tot een dichtgetimmerd systeem van middelenvoorschriften. Doelsturing werkt alleen wanneer ondernemers daadwerkelijk handelingsperspectief krijgen om hun doelen te bereiken.
De belangrijkste vraag die veel boeren stellen is misschien niet eens welke norm in 2035 geldt, maar wanneer vergunningverlening weer mogelijk wordt.
De afgelopen jaren stelden duizenden ondernemers investeringen uit omdat vergunningprocedures vastliepen of juridisch onvoldoende zekerheid boden. Dat remt niet alleen bedrijfsontwikkeling, maar ook verduurzaming. Immers: zonder vergunning kan een ondernemer vaak ook niet investeren in emissiereducerende technieken, nieuwe stalconcepten of bedrijfsverplaatsing.
In dat opzicht is het positief dat het kabinet de vergunningverlening nadrukkelijk onderdeel maakt van het totale pakket. De aangekondigde invoering van een rekenkundige ondergrens en de vervanging van de huidige systematiek kunnen bijdragen aan meer perspectief voor ondernemers.
Voor de sector is het echter cruciaal dat deze juridische route ook daadwerkelijk standhoudt. Nederland kan zich geen vierde of vijfde stikstofaanpak permitteren die de rechter na enkele jaren opnieuw terugfluit.
De afgelopen jaren investeerden veel melkveehouders fors in emissiearme stalsystemen. Een deel van deze ondernemers ziet nu dat technieken waarvan ze eerder zeiden dat zij de oplossing vormden, opnieuw ter discussie staan.
Dat heeft het vertrouwen in beleid geen goed gedaan.
Wanneer ondernemers de komende jaren opnieuw forse investeringen moeten doen om te voldoen aan normen voor ammoniak en klimaat, dan moet vooraf duidelijk zijn dat deze investeringen voldoende juridisch houdbaar zijn. Niemand investeert voor twintig jaar wanneer de kans bestaat dat de overheid een systeem vijf jaar later niet meer erkent.
Een duurzame landbouw vraagt niet alleen om duurzame technieken, maar ook om duurzaam beleid met juridische borging.
De stapeling van grondgebondenheid op de regelgeving die wél nodig is om milieudoelen te halen, zal tot extra stoppers leiden. Hiermee zal de bedoelde verbetering van de waterkwaliteit, vooral in de gebieden waar de 85% gras-rustgewas norm van toepassing is, het omgekeerde effect geven. Daarmee hinkt het beleid op twee gedachten: “de weg inslaan op doelsturing op ammoniak zal doelsturing op waterkwaliteit in de kiem smoren”.
Een interessant voorstel is het idee om grondgebondenheid te verbinden aan waterkwaliteit en doelsturing, zoals onder andere door ChristenUnie-Kamerlid Pieter Grinwis bepleitte. Dat verdient serieuze aandacht.
De stikstofbrief kiest voor een generieke eindnorm van 2,6 GVE per hectare in 2035 en op sectorniveau lijkt die norm haalbaar. Het gemiddelde melkveebedrijf heeft volgens cijfers van aaff een intensiteit van ongeveer 2,3 GVE per hectare waarbij 21% boven 2,6 GVE per hectare ligt. Een gemiddelde zegt dus niet alles.
Een melkveebedrijf op zand- of lössgrond heeft met een aanvullende eis van 85% gras- en rustgewassen andere uitdagingen dan een bedrijf op klei of veen. Ook verschillen de mogelijkheden voor mestbenutting, gewasproductie en waterkwaliteit sterk per regio.
Een systeem dat ondernemers beloont voor aantoonbare prestaties op waterkwaliteit, nutriëntenbenutting en emissiereductie sluit daarom beter aan bij de praktijk dan een puur generieke norm. Daarmee ontstaat ruimte voor maatwerk zonder de maatschappelijke doelen uit het oog te verliezen.
De in de stikstofbrief voorgestelde normen zijn fors. De overheid stuurt voor de melkveehouderij op een ammoniaknorm van 0,164 kg NH₃ per fosfaatrecht, een klimaatnorm van 92 kg CO₂-equivalent per fosfaatrecht en een grondgebondenheidsnorm van 2,6 GVE per hectare.
Uit de eerste praktijkberekeningen op melkveebedrijven blijkt dat juist de ammoniaknorm voor veel bedrijven een enorme uitdaging wordt. Zelfs bedrijven die qua grondgebondenheid goed scoren en al fors inzetten op managementmaatregelen (zoals verlagen ruw eiwit en meer weidegang), moeten nog aanzienlijke aanvullende reducties realiseren.
Dat betekent niet dat de normen onhaalbaar zijn. Wel betekent het dat innovatieve stalmaatregelen een must is voor boeren die hun stalcapaciteit willen blijven benutten en dat de praktijktoets leidend moet blijven bij de verdere uitwerking van het beleid. Gezien de reductieopgave (42-46% = 23 kton bij melkvee) is innovatie nodig wil de sector een forse krimp voorkomen.
Hier ligt een belangrijke gezamenlijke opgave voor overheid, sectororganisaties, ketenpartijen en adviseurs. De koers van het kabinet biedt kansen. De inzet vanuit de belangenbehartiging op doelsturing, vergunningverlening, juridisch houdbare investeringen en een koppeling tussen grondgebondenheid en waterkwaliteit draagt bij aan een oplossing die niet alleen goed klinkt in Den Haag, maar ook werkt op het erf.
Boeren zijn bereid verantwoordelijkheid te nemen voor natuur, klimaat en waterkwaliteit. Daar staat tegenover dat zij recht hebben op duidelijk beleid, betrouwbare regelgeving en voldoende ruimte om te ondernemen.
Alleen wanneer ambitie en uitvoerbaarheid hand in hand gaan, ontstaat er werkelijk perspectief voor een toekomstbestendige Nederlandse melkveehouderij.
aaff is graag overal van betekenis. Wil je sparren over jouw doelen of meer informatie over de stikstofbrief en de gevolgen hiervan voor jouw onderneming? Neem dan contact op met een van onze experts. Samen staan we voor een sterke sector mét toekomstperspectief.
Blijf op de hoogte van het laatste nieuws via onze Facebookpagina
Altijd op de hoogte van het laatste nieuws