Expert
Meer melk per koe, meer liters per bedrijf en meer techniek in de stal leiden niet automatisch tot meer rendement. Dat werd opnieuw duidelijk tijdens het EDF-congres in Chester. Bedrijven die internationaal opvallen, kiezen scherp voor een bedrijfsmodel, voeren dat consequent uit en houden voortdurend zicht op de balans tussen kosten, opbrengsten, arbeid en kapitaal.
aaff is al jarenlang betrokken bij European Dairy Farmers (EDF), de internationale studiegroep waarin melkveehouders hun bedrijfsgegevens en ondernemerskeuzes open met elkaar delen. Juist die combinatie maakt EDF waardevol: deelnemers leggen hun cijfers niet alleen naast elkaar, maar gebruiken ze vooral om te begrijpen waarom bedrijven verschillend presteren. Tijdens het congres in Chester, met deelnemers uit meer dan 25 landen, ontstond opnieuw een scherp gesprek over kostprijs, productieniveau, investeringen en ondernemerschap.
EDF benadert de kostprijs bedrijfseconomisch. Dat betekent dat niet alleen betaalde kosten meetellen, maar ook de waarde van eigen arbeid en geïnvesteerd vermogen. Een melkveehouder had zijn tijd ook op een andere manier kunnen inzetten en zijn vermogen ook elders kunnen beleggen. Door die kosten wél mee te nemen, ontstaat een eerlijker vergelijking tussen bedrijven en landen.
Voor Nederlandse melkveehouders is die spiegel relevant. Nederlandse bedrijven zijn kapitaalintensief. De grondkosten liggen in Nederland met € 0,058 per kg melk ongeveer € 0,025 boven het Europese gemiddelde. Daar komt gemiddeld € 0,046 per kg melk bij voor mestafzet en lease van fosfaatrechten, terwijl die kostenpost in veel andere landen nauwelijks een rol speelt.
Tegelijk behoren Nederlandse melkveebedrijven, mede door de dure eigendomsgrond, tot de meest vermogende bedrijven van Europa. Dat vermogen geeft zekerheid, maar werkt ook door in de kostprijs. De werkelijk betaalde rente ligt daarbij in Nederland gemiddeld op € 0,046 per kg melk: ongeveer € 0,02 boven het Europese gemiddelde. Met zulke vaste kosten ontstaat druk om die kosten te verdunnen over meer liters: per koe, per koeplaats en per bedrijf. Juist daar ligt op veel bedrijven nog ruimte voor verbetering, want terugschakelen naar lage kosten is meestal geen optie.
In Engeland zie je een grote variatie in bedrijfsstijlen: van grasgebaseerde systemen met duidelijke afkalfblokken tot intensieve bedrijven met hoge input en hoge producties per koe. Opvallend is dat je in al die systemen goed geld kan verdienen. Niet omdat één systeem superieur is, maar omdat succesvolle bedrijven hun gekozen systeem consequent uitvoeren. Een lagere productie per koe hoeft geen probleem te zijn als de kostenstructuur erbij past. En een hoge productie is geen garantie voor marge als de input te hard meegroeit.
Daar zit de echte waarde van benchmarking. Het gaat niet om het lijstje met hoogste of laagste kengetallen, maar om het gesprek achter die verschillen. Waarom behaalt de ene ondernemer meer marge met vergelijkbare uitgangspunten? Welke keuzes in arbeid, voer, financiering, gebouwen of veestapel verklaren dat verschil? Zulke vragen maken benchmarking waardevol, omdat ze je dwingen met andere ogen naar je eigen bedrijf te kijken.
Wat in Engeland opvalt, is dat kostprijsbewust werken vaak diep in de bedrijfsvoering zit. Veel melkveehouders zijn gewend aan lagere en grillige melkprijzen en hebben hun bedrijf daarop ingericht. Ondernemers bekijken hoge vaste lasten kritisch en sobere oplossingen zijn vaak de norm. Dat zie je terug in gebouwen, machines en investeringskeuzes. Niet omdat er geen ruimte is om te investeren, maar omdat zij steeds de vraag stellen of een investering aantoonbaar bijdraagt aan rendement.
Die benadering schuurt soms met de Nederlandse praktijk. In workshops viel op dat Nederlandse melkveehouders investeringen vaak in een langere termijn plaatsen, zeker wanneer het rendement pas na vijf jaar of later zichtbaar wordt. Dat past bij een sector waarin grond, gebouwen, vergunningen en regelgeving grote invloed hebben op ondernemerskeuzes. Tegelijk maakt de blik van buitenlandse collega’s duidelijk hoe vanzelfsprekend wij sommige investeringen zijn gaan vinden.
Daarmee is niet gezegd dat de laagste kostprijs altijd de beste is. Wie onderhoud uitstelt of stopt met investeren in bedrijfsontwikkeling, kan de kosten tijdelijk drukken maar bouwt vaak een achterstand op. Rendement draait niet om zo weinig mogelijk uitgeven, maar om de juiste verhouding tussen input, output en toekomstbestendigheid.
De kern van melkveehouderij blijft uiteindelijk eenvoudig: ruwvoer dat mensen niet kunnen verteren omzetten in waardevolle voeding, met eiwit en vet als basis. Juist daarom moeten we kritisch blijven op alles wat we daaromheen organiseren: regels, kosten, techniek, financiering en bedrijfsstructuur. Niet elke vorm van complexiteit is verkeerd, maar elke extra laag moet wel bijdragen aan rendement, ondernemerschap of continuïteit.
Misschien is dat wel de grootste les van EDF: de waarde zit niet alleen in cijfers, maar vooral in de confrontatie met andere keuzes, andere systemen en andere manieren van denken.
aaff is graag overal van betekenis. Voor melkveehouders die serieus naar hun rendement, kostprijs en strategische positie willen kijken, kan deelname aan EDF waardevol zijn. Wil je weten of EDF bij jouw bedrijf past? Neem dan contact op met een van onze specialisten.
De foto is gemaakt op het EDF Congress 2026, door Thomas Ix
Altijd op de hoogte van het laatste nieuws
Blijf op de hoogte van het laatste nieuws via onze Facebookpagina